NATUURNET
      Natuurnet
uw kennismakelaar 



terug naar inhoudsopgave

Het gaat niet goed met Overijsselse weidevogels

4 okt 2011

Het gaat nog steeds niet goed met de weidevogels. De al jarenlang neerwaartse trend blijft doorgaan. Positief is dat op locaties waar veel wordt gedaan voor weidevogels, zoals in het Lierder- en Molenbroek, herstel mogelijk is. Belangrijke voorwaarden hierbij zijn vernatting, kruidenrijke percelen en verlate maaidata. In gebieden met beheersovereenkomsten is gemiddeld sprake van een positievere trend dan in gebieden waar niets voor weidevogels wordt gedaan.

Negatieve trend voor de meeste soorten
Het gaat steeds slechter met de meeste Overijsselse weidevogels. Van de aantallen uit 1994 is nog maar ruim de helft over (55%). Eerst waren het vooral de Grutto en de Veldleeuwerik die met steeds minder paren tot broeden kwamen. De laatste jaren gaat het ook slecht met de Scholekster en de Kievit. In verschillende delen van Salland en Twente zijn ze nu vrijwel verdwenen. Maar ook in sommige polders in West-Overijssel kan sprake zijn van een sterke achteruitgang.

Beter gaat het in de door Agrarische Natuurverenigingen ingerichte en beheerde gebieden (bijv. Lierder- en Molenbroek). Ook in het weidevogelreservaat Giethoorn-Wanneperveen is de laatste tien jaar weer sprake van een opgaande lijn.

De Kievit is nog steeds de meeste voorkomende weidevogel, gevolgd door de Grutto. De Scholekster en de Wulp komen duidelijk minder algemeen. De neerwaartse trend voor de Veldleeuwerik zet door. Ook de Tureluur gaat verder achteruit. Voor twee kleine, minder opvallende soorten van het open landschap, de Graspieper en de Gele kwikstaart, geldt dat de aantallen constant blijven of iets toenemen. Van de Gele kwikstaart broeden in 2011 meer paren op de onderzochte plekken dan ooit zijn waargenomen. Deze soort maakt naast graslanden ook gebruik van gevarieerde graan- en aardappelakkers, waar minder verstoring is.

Gevolgen van te vroeg maaien
In het vroege en zonnige voorjaar van 2011 begon het maaien van graslandpercelen op sommige plekken al in het eind van april. Eind april zijn veel soorten pas met broeden begonnen. Wanneer sprake is van de bescherming van nesten door vrijwilligers en de predatie meevalt (lage aantallen van bijv. Zwarte kraai en de Vos) kunnen er al vroeg in het seizoen jonge vogels aanwezig zijn, bijvoorbeeld van de Kievit. Maar op veel plaatsen is dan geen of te weinig kruidenrijk of structuurrijk grasland aanwezig voor de jonge weidevogels om insecten te zoeken en er te schuilen. Veel van deze jongen worden dan ook niet groot.

Reservaten zorgen voor opmars van zeldzame soorten
Een aantal weidevogels, overwegend zeldzame soorten, is nu vrijwel beperkt tot reservaten. Het gaat om de Watersnip, de Zomertaling, de Slobeend en de Wintertaling. De Roodborsttapuit, voorheen een soort van heide en moerassen, zet haar opmars voort en is op diverse nieuwe plekken verschenen. Het gaat dan om kruidenrijke perceelranden met bramen die gelegen zijn in de buurt van grote natuurgebieden.

In 2011 te weinig jongen voor de Grutto
De Grutto is voor het weidevogelbeleid een belangrijke soort. Van de Grutto wordt het broedsucces gemeten aan de hand van paren met jongen. Als een nest uitkomt hoeft nog geen sprake te zijn van een geslaagd broedgeval. Het gaat om het aantal jongen dat uitvliegt. In 2011 was 22 % van de paren succesvol. Ze hadden in de laatste week van mei ÚÚn of meerdere jongen. Dit betekent dat ruim drie kwart van de Grutto paren wel gebroed heeft maar dat de eieren of jongen al voor eind mei verloren zijn gegaan. Dit percentage is nog nooit zo hoog geweest en niet voldoende om de Overijsselse populatie in stand te houden. 60% van de paren moet jongen grootbrengen om achteruitgang tegen te gaan. Als dit percentage de komende jaren niet snel verbeterd ziet het er voor de Grutto slecht uit.

Inspanning boeren
In een gebied met beheerovereenkomsten (boeren krijgen vergoeding voor het later maaien, vaak in juni) geldt dat dichtheden van o.a. de Grutto, de Wulp en de Tureluur gemiddeld hoger zijn dan in gebieden zonder deze overeenkomsten. In een aantal van deze gebieden (Ottershagen, Lierder- en Molenbroek, Kamperveen) is sprake van een goede weidevogelstand. Overeenkomsten zijn het meest effectief als ze worden gesloten voor grotere aaneengesloten gebieden.

Vanaf 2010 trekken de Agrarische Natuurverenigingen (als gebiedsco÷rdinatoren) de uitvoering van het weidevogelbeleid voor de goede weidevogelgebieden in Overijssel. Dit vindt gebiedsgericht plaats. Samen met agrariŰrs, weidevogelbeschermers, wildbeheereenheden en natuurbeschermingsorganisaties wordt per gebied een Collectief Weidevogelbeheerplan opgesteld. De verwachting is dat deze gezamenlijke gebiedsgerichte aanpak de komende jaren tot betere resultaten zal leiden.

Weidevogelmeetnet volgt ontwikkeling aantal weidevogels
De informatie over de ontwikkelingen van de weidevogels is gebaseerd op het door de Provincie Overijssel in 1994 gestarte weidevogelmeetnet. Dit meetnet is bedoeld om de ontwikkelingen van aantallen broedende weidevogels te volgen. Om het jaar wordt van 45 locaties (locaties zijn tussen de 50 - 100 ha groot, zie kaart rechterkolom) de weidevogelstand vastgesteld. Metingen werden in 2011 uitgevoerd door het bureau EcoGroen Advies uit Zwolle. (zie ook figuur in rechterkolom).


Zoekt u een adviesbureau? Ga naar de zoekpagina  

terug naar inhoudsopgave of terug naar de homepage van het Natuurnet